nok
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- nok
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | nok | nokken |
| verkleinwoord | nokje | nokjes |
Zelfstandig naamwoord
- (bouwkunde) het hoogste gedeelte van een schuin dak
- (bouwkunde) horizontale snijlijn van twee dakschilden
- (motortechniek) een uitstulping op een as waarmee het openen en sluiten van de kleppen wordt gestuurd
- Een nokkenas met versleten nokken.
Afgeleide begrippen
- [3] nokkenas
Verwante begrippen
- inlaatklep, klepspeling, kleptiming, klepveer, lichthoogte, sleper, stoterstang, uitlaatklep, verbrandingsmotor
Vertalingen
1. uitstulpingen aan as
Meer informatie
- Zie de doorverwijspagina op Wikipedia voor meer informatie.
Noors
Uitspraak
Woordafbreking
- nok
Woordherkomst en -opbouw
- Afkomstig van het Nederduitse woord "noch".
| Naar frequentie | 110 |
|---|
Bijwoord
nok
- genoeg, voldoende
- «Nå har vi arbeidet nok for i dag.»
- Nu hebben we voor vandaag genoeg gewerkt.
- «Nå har vi arbeidet nok for i dag.»
- nog
- «Ta nok et glass.»
- Neem nog een glas.
- «Ta nok et glass.»
Synoniemen
- [1]: tilstrekkelig
Nynorsk
Uitspraak
Woordafbreking
- nok
Woordherkomst en -opbouw
- Afkomstig van het Nederduitse woord "noch".
Bijwoord
nok
Synoniemen
Oezbeeks
Zelfstandig naamwoord
nok
Schrijfwijzen
- Cyrillische transcriptie: нок.