node

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • no·de

Bijwoord

node

  1. tot nood, grote nood veroorzakend
    Plotseling werd hij ernstig ziek; hij werd node gemist bij het concert.

Zelfstandig naamwoord

node

  1. datief van nood
    Snel werd duidelijk wat men allemaal van node had.
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen