neerleggen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: neerleggen (hulp, bestand)
- IPA: /nerlɛgə(n)/
Woordafbreking
- neer·leg·gen
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| neerleggen |
legde neer |
neergelegd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
neerleggen
- (overgankelijk) op iets leggen of plaatsen
- Hij legde de hoorn neer.
- (overgankelijk) afstand doen van iets
- Zij legde haar ambt neer.
- (overgankelijk) doodschieten
- Hij werd door de kwade man neergelegd.
- (overgankelijk) een bedrag betalen
- Het bedrag moest vóór 12 uur neergelegd worden.
- (wederkerend) zich ~ bij het verzet tegen iets opgeven
- Hij legde zich niet neer bij de uitspraak en ging in hoger beroep.
Uitdrukkingen en gezegden
- [2] het werk neerleggen
Vertalingen
het werk neerleggen
|