nationaliteit
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- na·ti·o·na·li·teit
Woordherkomst en -opbouw
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | nationaliteit | nationaliteiten |
| verkleinwoord | - | - |
Zelfstandig naamwoord
nationaliteit v
- (juridisch) Het bezit van het staatsburgerschap van een land of meer landen, officiële registratie in een staat;
- (politiek) Het op grond van herkomst of afstamming behoren tot een bepaald etniciteit en (indien aanwezig) de natie; nationaliteit staat in deze definitie los van het staatsburgerschap
Vertalingen
1.
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.