namaak
Uit WikiWoordenboek
Nederlands
Woordafbreking
- na·maak
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| namaken |
namaak
- (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van namaken
- ... dat ik namaak.
| vervoeging van |
|---|
| namaken |
namaak