motor

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mo·tor
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord motor motoren, motors
verkleinwoord motortje motortjes

Zelfstandig naamwoord

motor m

  1. (werktuigbouwkunde) krachtbron die met behulp van een energiebron een werktuig, machine of vervoermiddel aandrijft
    Deze motor loopt op elektriciteit.
  2. (verkeer) een verkorting van "motorfiets", het gemotoriseerd voertuig op twee of drie wielen
    Hij heeft net een nieuwe motor gekocht, een Harley.
  3. (figuurlijk) iemand die wordt beschouwd als de drijvende kracht van een organisatie
    Hij is de motor van ons bedrijf, zonder hem waren we al lang failliet gegaan.
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Overerving en ontlening
Vertalingen

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl


Afrikaans

Zelfstandig naamwoord

motor

  1. auto


Engels

Zelfstandig naamwoord

motor m

  1. (techniek) verkorting van "motorbike" of "motorcar"


Indonesisch

Woordafbreking
  • mo·tor
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

motor

  1. (techniek) motor krachtbron die met behulp van een energiebron een werktuig, machine of vervoermiddel aandrijft
    «Pompa air itu digerakkan oleh motor listrik.»
    Deze waterpomp wordt aangedreven door een elektromotor.
  2. (spreektaal), (verkeer) motor gemotoriseerd voertuig op twee of drie wielen
    «Helm jenis ini adalah helm yang paling aman untuk digunakan pengendara motor
    Dit type helm is een helm die veiliger gebruikt kan worden door motorrijders.
  3. (figuurlijk) motor iemand die de drijvende kracht van een organisatie is
    «Dialah yang menjadi motor perkumpulan itu.»
    Hij groeide uit tot de motor achter de vereniging.
Synoniemen
Afgeleide begrippen


Spaans

Zelfstandig naamwoord

motor m

  1. (techniek) motor, een aandrijfmachine