motor
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- mo·tor
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | notor | motoren, motors |
| verkleinwoord | motortje | motortjes |
Zelfstandig naamwoord
motor m
- krachtbron die met behulp van een energiebron iets voortbeweegt.
- Deze motor loopt op elektriciteit.
- een motorfiets, gemotoroseerd voertuig op twee wielen.
- Hij heeft net een nieuwe motor gekocht, een Harley.
Vertalingen
Afrikaans
Zelfstandig naamwoord
motor