motor

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mo·tor
enkelvoud meervoud
naamwoord notor motoren, motors
verkleinwoord motortje motortjes

Zelfstandig naamwoord

motor m

  1. krachtbron die met behulp van een energiebron iets voortbeweegt.
    Deze motor loopt op elektriciteit.
  2. een motorfiets, gemotoroseerd voertuig op twee wielen.
    Hij heeft net een nieuwe motor gekocht, een Harley.
Vertalingen


Afrikaans

Zelfstandig naamwoord

motor

  1. auto
Persoonlijke instellingen