monteren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mon·te·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van het Franse monter met het achtervoegsel -eren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
monteren
monteerde
gemonteerd
zwak -d volledig

Werkwoord

monteren (overgankelijk) [1]

  1. de juiste beelden achter elkaar zetten
    Ze waren bezig om de film te monteren.
  2. ergens aan vastmaken
    Je moet eerst het groene plaatje monteren.
  3. uit losse (onder)delen in elkaar zetten
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Verwijzingen
  1. Woordenboek der Nederlandse taal