monoloog

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mo·no·loog
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord monoloog monologen
verkleinwoord monoloogje monoloogjes

Zelfstandig naamwoord

monoloog m

  1. een gesprek gevoerd door één persoon, meestal op toneel
    Hij hield een lange monoloog waar helaas niemand wat van begreep.
Vertalingen

Meer informatie

Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen