mok

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mok
1 enkelvoud meervoud
naamwoord mok mokken
verkleinwoord mokje mokjes

Zelfstandig naamwoord

mok v/m

  1. een (stenen) drinkbeker, meestal voorzien van een oor
  2. (veeartsenij) een verzamelnaam voor verschillende vormen van huidirritaties en -ontstekingen aan de onderbenen van een paard, voornamelijk in de kootholte
2 enkelvoud meervoud
naamwoord mok -
verkleinwoord - -
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
mokken

mok

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van mokken
    Ik mok.
  2. gebiedende wijs van mokken
    Mok!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van mokken
    Mok je?

Meer informatie