mok
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- mok
| 1 | enkelvoud | meervoud |
|---|---|---|
| naamwoord | mok | mokken |
| verkleinwoord | mokje | mokjes |
Zelfstandig naamwoord
- een (stenen) drinkbeker, meestal voorzien van een oor.
- (veeartsenij) een verzamelnaam voor verschillende vormen van huidirritaties en -ontstekingen aan de onderbenen van een paard, voornamelijk in de kootholte.
| 2 | enkelvoud | meervoud |
|---|---|---|
| naamwoord | mok | - |
| verkleinwoord | - | - |
Vertalingen
Werkwoord
| vervoeging van |
| mokken |
mok
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van mokken
- Ik mok.
- gebiedende wijs van mokken
- Mok!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van mokken
- Mok je?
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.