module

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Woordafbreking
  • mo·du·le
enkelvoud meervoud
naamwoord module modules
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

module v/m

  1. min of meer zelfstandig onderdeel van een geheel
    1. (onderwijs) een blok lesmateriaal dat een min of meer afgesloten geheel vormt
    2. (biologie) deel van een modulair organisme
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen