module
Uit WikiWoordenboek
Nederlands
Woordafbreking
- mo·du·le
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | module | modules |
| verkleinwoord |
Zelfstandig naamwoord
- min of meer zelfstandig onderdeel van een geheel
- (onderwijs) een blok lesmateriaal dat een min of meer afgesloten geheel vormt
- (biologie) deel van een modulair organisme