misbaar
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- mis·baar
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | misbaar | |
| verkleinwoord |
Zelfstandig naamwoord
misbáár o
- met veel ~: in overmatige mate ergens een probleem van makend. (met luid geschreeuw en veel lawaai)
- Met veel misbaar gaf hij uiteindelijk toch gevolg aan die opdracht.
| stellend | |
|---|---|
| onverbogen | misbaar |
| verbogen | misbare |
Bijvoeglijk naamwoord
Woordherkomst en -opbouw
- Naamwoord van handeling van missen met het achtervoegsel -baar
mísbaar
- niet onontbeerlijk, te vervangen.
- Ik kan niet komen, maar gelukkig ben ik misbaar.
Antoniemen
Vertalingen
1.