mirakel
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- mi·ra·kel
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | mirakel | mirakels |
| verkleinwoord | mirakeltje | mirakeltjes |
Zelfstandig naamwoord
mirakel o
- een wonderbaarlijke of onbegrijpelijke gebeurtenis
- Geen vorm van handel of ambacht heeft voor de naam van de steeg vlak achter de Marekerk gezorgd, maar een mirakel.