mijmeren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mij·me·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
mijmeren
mijmerde
gemijmerd
zwak -d volledig

Werkwoord

mijmeren

  1. (inergatief) in gedachten verzonken zijn
    Zij hadden wat gemijmerd in het schemerlicht en waren vervolgens ingeslapen.
Vertalingen