merken
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- mer·ken
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| merken |
merkte |
gemerkt |
| zwak -t | volledig | |
Werkwoord
merken
- (inergatief) iets waarnemen of herkennen
- Je kon merken dat de man het moeilijk had na het overlijden van zijn zoon.
Vertalingen
1. iets waarnemen of herkennen
Zelfstandig naamwoord
merken mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord merk