merk
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- merk
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | merk | merken |
| verkleinwoord | merkje | merkjes |
Zelfstandig naamwoord
merk o
- een kenteken aangebracht ter identificatie van iets
- Je kunt dat merkje er nu wel afhalen.
- (economie) een symbool voor producten van een bepaalde producent of handelsonderneming
- Die computer is van een vrij onbekend merk.
Synoniemen
- [1] herkenningsteken, identificatie, merkteken
- [2] handelsmerk, logo, naambeeld, symbool
Vertalingen
1. een kenteken aangebracht ter identificatie van iets
2. een herkenbaar product door een bepaalde producent vervaardigd
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| merken |
merk
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van merken
- Ik merk.
- gebiedende wijs van merken
- Merk!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van merken
- Merk je?
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.