meedelen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- mee·de·len
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| meedelen |
deelde mee |
meegedeeld |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
meedelen
- (ditransitief) een feit vertellen
- Wat ik jullie nog zou meedelen is dat wij morgen niet hoeven te vergaderen.
- Wij kregen meegedeeld dat de vergadering niet door ging.