matsen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- mat·sen
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| matsen |
matste |
gematst |
| zwak -t | volledig | |
Werkwoord
matsen
- (inergatief) het niet zo nauw te nemen met de regeltjes; de zaken gunstiger voorstellen dan ze zijn
- Als je matst bij je meting ben je geen goede wetenschapper.
- (overgankelijk) iemand onverdiend bevoordelen
- Hij werd duidelijk gematst.