marteling
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- mar·te·ling
Woordherkomst en -opbouw
- Naamwoord van handeling van martelen met het achtervoegsel -ing.
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | marteling | martelingen |
| verkleinwoord | - | - |
Zelfstandig naamwoord
marteling v
- het opzettelijk toebrengen van pijn en letsel aan een gevangene die zich niet weren kan
- De martelingen in die gevangenis zijn berucht.