markeren
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- mar·ke·ren
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| markeren |
markeerde |
gemarkeerd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
markeren
- (overgankelijk) het afbakenen van een grens
- Zij waren bezig de vluchtstrook met een ononderbroken witte lijn te markeren.