markeren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mar·ke·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
markeren
markeerde
gemarkeerd
zwak -d volledig

Werkwoord

markeren

  1. (overgankelijk) het afbakenen van een grens
    Zij waren bezig de vluchtstrook met een ononderbroken witte lijn te markeren.
Vertalingen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen