mark
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- mark
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | mark | marken |
| verkleinwoord | markje | markjes |
Zelfstandig naamwoord
mark
- m (numismatiek) munteenheid tot vóór de invoering van de euro in Duitsland in gebruikt
- Ik heb nog een paar oude markjes bewaard.
- v/m (leenstelsel) een leen dat grensde aan het gebied van een ander rijk, meestal bestuurd door een markgraaf of markies
- De naam Denemarken maakt duidelijk dat dit gebied een mark was aan de grens met de Franken.
- v/m een ongecultiveerd stuk land in gemeenschappelijk bezit
Afgeleide begrippen
- [2] markgraaf, markies, marksteen
- [2] Denemarken, Spaanse Mark, Oostmark
Engels
Uitspraak
| enkelvoud | meervoud |
|---|---|
| mark | marks |
Zelfstandig naamwoord
mark