mark

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mark
enkelvoud meervoud
naamwoord mark marken
verkleinwoord markje markjes

Zelfstandig naamwoord

mark

  1. m (numismatiek) munteenheid tot vóór de invoering van de euro in Duitsland in gebruikt
    Ik heb nog een paar oude markjes bewaard.
  2. v/m (leenstelsel) een leen dat grensde aan het gebied van een ander rijk, meestal bestuurd door een markgraaf of markies
    De naam Denemarken maakt duidelijk dat dit gebied een mark was aan de grens met de Franken.
  3. v/m een ongecultiveerd stuk land in gemeenschappelijk bezit
Afgeleide begrippen


Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
mark marks

Zelfstandig naamwoord

mark

  1. merkteken
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen