mankeren
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- man·ke·ren
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| mankeren |
mankeerde |
gemankeerd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
mankeren
- (onovergankelijk) iets ~ aan: een gebrek vertonen
- Er mankeerde van alles aan die vertaling.
- (onovergankelijk) iets ~: een ziekte of gebrek hebben
- Hij heeft nog nooit iets gemankeerd.