mangelen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- man·ge·len
Woordherkomst en -opbouw
- [1] Ontleend aan het Duitse mangeln (ontbreken, mangelen).
- [2] Volgens één hypothese de iteratieve vorm van mengen. De betekenis is dan verschoven van mengen over afwisselend gebruiken tot ruilen. Volgens een andere hypothese is het woord ontleend aan het Latijnse mango (slavenhandelaar).
- [3] Afgeleid van mangel (in de eerste betekenis).
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| mangelen |
mangelde |
gemangeld |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
mangelen
- ontbreken, te kort schieten
- (overgankelijk) ruilen, aan ruilhandel doen
- (overgankelijk) door de mangel halen, met een mangel glad maken
Vertalingen
1. ontbreken, te kort schieten
2. ruilen, aan ruilhandel doen
Zelfstandig naamwoord
mangelen mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord mangel (amandel).