manen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ma·nen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
manen
maande
gemaand
zwak -d volledig

Werkwoord

manen

  1. (overgankelijk) gebieden iets te doen
    De moeder maande haar kinderen de troep op te ruimen.
Anagrammen
Vertalingen
2 enkelvoud meervoud
naamwoord - manen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

manen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord maan
  2. mv de ruige beharing op de nek van een leeuw of van een paard
Afgeleide begrippen


Spaans

Werkwoord

vervoeging van
manar

manen

  1. aanvoegende wijs derde persoon meervoud tegenwoordige tijd (presente) van manar
  2. gebiedende wijs (bevestigend en ontkennend) derde persoon meervoud tegenwoordige tijd (presente) van manar