mal

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mal
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen mal maller malst
verbogen malle mallere malste

Bijvoeglijk naamwoord

mal

  1. blijk gevend van gebrek aan gezond verstand
Synoniemen
Vertalingen
enkelvoud meervoud
naamwoord mal mallen
verkleinwoord malletje malletjes

Zelfstandig naamwoord

mal m

  1. een holle gietvorm
  2. een grafische vorm die voor herhaaldelijk gebruik is bedoeld
Synoniemen
Vertalingen

Meer informatie


Duits

Bijwoord

mal

  1. maal, keer
    «Sechs mal sieben ist zweiundvierzig.»
    Zes maal zeven is tweeënveertig.


Frans

Bijvoeglijk naamwoord

mal

  1. (slechts in bepaalde constructies en uitdrukkingen) slecht
Uitdrukkingen en gezegden

Bijwoord

mal

  1. slecht
    «J'ai mal entendu.»
    Ik heb het slecht verstaan.
Uitdrukkingen en gezegden
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  mal     le mal     maux     les maux  

Zelfstandig naamwoord

mal m

  1. pijn
    «J'ai mal à la tête.»
    Ik heb hoofdpijn.
  2. moeite
    «J'ai du mal à m'imaginer celà.»
    Ik heb moeite om me dat in te beelden.
  3. het kwaad, het slechte.
    «Le mal et le bien.»
    Het slechte en het goede.
Uitdrukkingen en gezegden


Spaans

Bijwoord

mal

  1. slecht


Zweeds

Zelfstandig naamwoord

mal g

  1. (dierkunde) meerval
  2. (dierkunde) mot
Verbuiging
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen