majesteit

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ma·jes·teit
enkelvoud meervoud
naamwoord majesteit majesteiten
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

majesteit v

  1. glorieuze verhevenheid
    En daar zetelt hij in majesteit.
  2. een vorst of vorstin waaraan als titel [1] wordt toegedicht
    Beide majesteiten namen plaats op hun zetels en daarmee begon de plechtigheid.
Vertalingen

Tussenwerpsel

majesteit

  1. aanspreektitel van een koning of koningin
    Wij zijn zeer verheugd u te kunnen begroeten, majesteit!