maakte op
Uit WikiWoordenboek
Nederlands
Woordafbreking
- maak·te op
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| opmaken |
maakte op
- enkelvoud verleden tijd van opmaken
- Ik maakte op.
- Jij maakte op.
- Hij, zij, het maakte op.
- Ik maakte op.
| vervoeging van |
|---|
| opmaken |
maakte op