maaide
Uit WikiWoordenboek
Nederlands
Woordafbreking
- maai·de
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| maaien |
maaide
- enkelvoud verleden tijd van maaien
- Ik maaide.
- Jij maaide.
- Hij, zij, het maaide.
- Ik maaide.
| vervoeging van |
|---|
| maaien |
maaide