luier
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- lui·er
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | luier | luiers |
| verkleinwoord | luiertje | luiertjes |
Zelfstandig naamwoord
- vocht absorberend kledingstuk dat wordt gedragen door een incontinente persoon, inz. door een baby
Vertalingen
1.
Bijvoeglijk naamwoord
luier
- onverbogen vorm van de vergrotende trap van lui
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| luieren |
luier
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van luieren
- Ik luier.
- gebiedende wijs van luieren
- Luier!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van luieren
- Luier je?
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.