loog
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- loog
Woordherkomst en -opbouw
|
(erfwoord)
|
Andere Germaanse talen |
Andere Indo-Europese talen |
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | loog | logen |
| verkleinwoord | loogje | loogjes |
Zelfstandig naamwoord
loog o
- (scheikunde) een alkalische substantie
- Zuren en logen zijn elkaars tegenvoeters.
Anagrammen
Hyponiemen
- bleekloog, kaliloog, moederloog, natronloog, potasloog, salpeterloog, sodaloog, tabaksloog, wijnsteenloog, witloog, zeepziedersloog
Afgeleide begrippen
Vertalingen
een alkalische substantie
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| logen |
loog
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van logen
- Ik loog.
- gebiedende wijs van logen
- Loog!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van logen
- Loog je?
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| liegen |
loog
- enkelvoud verleden tijd van liegen
- Ik loog.
- Jij loog.
- Hij, zij, het loog.
- Ik loog.