logeren
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- lo·ge·ren
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| logeren |
logeerde |
gelogeerd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
logeren
- (overgankelijk) (iemand) in huis opnemen, herbergen
- Tom heeft laatst zonder problemen een volstrekte vreemde gelogeerd.
- (inergatief) (bij iemand) blijven slapen
- De jongen mocht logeren bij een vriendje.
Vertalingen
1. in huis openemen, herbergen