logen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- lo·gen
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| logen |
loogde |
geloogd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
logen
- (overgankelijk) langdurig blootstellen aan een bijtende vloeistof
- Ik loogde dus de kasten en de kisten gewoon achter of voor mijn huis; het zou nu niet meer mogen.
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| liegen |
logen
- meervoud verleden tijd van liegen
- Wij logen.
- Jullie logen.
- Zij logen.
- Wij logen.
Zelfstandig naamwoord
logen mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord loog