logen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • lo·gen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
logen
loogde
geloogd
zwak -d volledig

Werkwoord

logen

  1. (overgankelijk) langdurig blootstellen aan een bijtende vloeistof
    Ik loogde dus de kasten en de kisten gewoon achter of voor mijn huis; het zou nu niet meer mogen.

Werkwoord

vervoeging van
liegen

logen

  1. meervoud verleden tijd van liegen
    Wij logen.
    Jullie logen.
    Zij logen.

Zelfstandig naamwoord

logen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord loog