lijn
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- lijn
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | lijn | lijnen |
| verkleinwoord | lijntje | lijntjes |
Zelfstandig naamwoord
- een getekende streep (op o.a. papier)
- Onder de lijn staat de som van de getallen.
- (wiskunde) Een denkbeeldige verbinding (zonder dikte) tussen twee punten in een 2 of 3 dimensionale ruimte
- Tussen twee punten van een plat vlak, geeft een rechte lijn de kortste verbinding aan.
- (scheepvaart) touw
- Een uit meerdere kardelen samengeslagen touw tot een omtrek kleiner dan 4 cm noemt men een lijn.
- een gespannen touw, zoals een waslijn, hengelsnoer of een aangelijnde hond
- De huisvrouw hing de gewassen kleding op aan de lijn.
- De sportvisser had zojuist een snoek aan de lijn.
- In het bos moet de hond aan de lijn gehouden worden.
- de verbinding die mensen hebben wanneer ze via de telefoon met iemand in gesprek zijn
- Ik heb nu mijn moeder aan de lijn.
- de verbinding tussen twee plaatsen, die onderhouden wordt door een boot, bus, vliegtuig
- De luchtvaartmaatschappij onderhoudt de lijn Amsterdam - Londen.
- (sport) de streep aan de rand en op het sportveld
- De voetbal ging over de lijn.
- een serie aanverwante producten die door één fabrikant worden geproduceerd
- De fabrikant produceerde een kledinglijn.
- de weg waarlangs een persoon of bepaald iets zich beweegt, of dient te bewegen
- De fabriek hanteerde bij de assemblagelijn een richtlijn om de veiligheid te waarborgen.
- Een verhaal met een duidelijke lijn.
- een bepaald standpunt
- De twee politica zaten op één lijn met hun standpunten.
Synoniemen
Hyponiemen
- [1] demarcatielijn, potloodlijn
- [2] deellijn, hoogtelijn, loodlijn, middellijn, zwaartelijn
Afgeleide begrippen
- [1] lijndikte, lijntekening
- [8] kledinglijn
Verwante begrippen
- [2] curve, grafiek, kromme, lijnrecht, lineair, lijnenspel, rechte
- [2] punt, driehoek, vierkant, cirkel, geometrie, meetkunde
- [3] landvast, reep, schoot, stag, tros, val
Uitdrukkingen en gezegden
- [2]: een lijn doortrekken
- [4]: iemand aan het lijntje houden
- [9]: aan de lijn denken
Vertalingen
2.
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| lijnen |
lijn
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lijnen
- Ik lijn.
- gebiedende wijs van lijnen
- Lijn!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lijnen
- Lijn je?
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.