leve

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • le·ve

Werkwoord

vervoeging van
leven

leve

  1. aanvoegende wijs van leven


Limburgs

Uitspraak
  • IPA: /leːvɐ/ (Etsbergs)
stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
leve
leefdje,
hist. loof
geleef,
hist. gelaove
klasse 2 volledig

Werkwoord

leve

  1. houden van


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • le·ve
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudnoorse werkwoord lifa.
Naar frequentie 461
vervoeging
onbepaalde wijs leve
tegenwoordige tijd lever
verleden tijd levde
voltooid
deelwoord
levd
onvoltooid
deelwoord
levende
lijdende vorm leves
gebiedende wijs lev
vervoegingsklasse Klasse 3 zwak
opmerking

Werkwoord

leve

  1. (overgankelijk) leven


Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • le·ve
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudnoorse werkwoord lifa.
vervoeging
onbepaalde wijs leve
leva
tegenwoordige tijd lever
verleden tijd levde
voltooid
deelwoord
levd
levt
onvoltooid
deelwoord
levande
lijdende vorm levast
gebiedende wijs lev
vervoegingsklasse Klasse 2 zwak
opmerking

Werkwoord

leve

  1. (overgankelijk) leven
Synoniemen


Spaans

  enkelvoud meervoud
mannelijk leve leves
vrouwelijk leve leves

Bijvoeglijk naamwoord

leve

  1. licht (niet zwaar)
  2. ragfijn