leuning
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- leu·ning
Woordherkomst en -opbouw
- Naamwoord van handeling van leunen met het achtervoegsel -ing.
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | leuning | leuningen |
| verkleinwoord | leuninkje | leuninkjes |
Zelfstandig naamwoord
leuning v
- iets waartegen men aan kan leunen
- Gelukkig kon hij de trap op door zich vast te houden aan de leuning.
- de achterkant van een stoel
- De leuning van de stoel ontbrak, dus kon ik niet naar achteren leunen.
Afgeleide begrippen
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.