leuning

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • leu·ning
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord leuning leuningen
verkleinwoord leuninkje leuninkjes

Zelfstandig naamwoord

leuning v

  1. iets waartegen men aan kan leunen
    Gelukkig kon hij de trap op door zich vast te houden aan de leuning.
  2. de achterkant van een stoel
    De leuning van de stoel ontbrak, dus kon ik niet naar achteren leunen.
Afgeleide begrippen

Meer informatie

Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen