lek
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Woordafbreking
- lek
Zelfstandig naamwoord
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | lek | lekken |
| verkleinwoord | lekje | lekjes |
lek o
- opening waardoor een vloeistof of een gas in of uit kan: een lek in de waterleiding
Vertalingen
1. opening waardoor een vloeistof of een gas in of uit kan
Bijvoeglijk naamwoord
| stellend | |
|---|---|
| onverbogen | lek |
| verbogen | lekke |
lek
- vloeistof of gas doorlatend: een lekke band
Vertalingen
1. vloeistof of gas doorlatend
Nynorsk
Woordafbreking
- lek
Werkwoord
lek
- tegenwoordige tijd van leke
Synoniemen
- (bijvorm) leker
Zweeds
Woordafbreking
- lek
Werkwoord
lek
- gebiedende wijs van leka