lek

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • lek
enkelvoud meervoud
naamwoord lek lekken
verkleinwoord lekje lekjes

Zelfstandig naamwoord

lek o

  1. opening waardoor een vloeistof of een gas in of uit kan
    een lek in de waterleiding
Gelijkklinkende woorden
Vertalingen
stellend
onverbogen lek
verbogen lekke

Bijvoeglijk naamwoord

lek

  1. vloeistof of gas doorlatend
    een lekke band
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
lekken

lek

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lekken
    Ik lek.
  2. gebiedende wijs van lekken
    Lek!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lekken
    Lek je?


Nynorsk

Woordafbreking
  • lek

Werkwoord

lek

  1. tegenwoordige tijd van leke
Synoniemen


Zweeds

Woordafbreking
  • lek

Werkwoord

lek

  1. gebiedende wijs van leka