leest
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- IPA:
- (Noord-Nederland): /lest/
- (Vlaanderen, Brabant, Limburg): /lest/
Woordafbreking
- leest
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| lezen |
leest
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lezen
- Jij leest.
- derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lezen
- Hij leest.
- verouderde gebiedende wijs meervoud van lezen
- Leest!
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | leest | leesten |
| verkleinwoord | leestje | leestjes |
Zelfstandig naamwoord
- een houten of metalen vorm waarop een schoen vervaardigd of gerepareerd wordt
- De leest is het attribuut van de schoenreparateur
- (verouderd) de gedaante van een lichaam
- Zij heeft dezelfde schone leest als haar tweelingzus.
Synoniemen
- [2] figuur, gestalte, lichaamsvorm, postuur, taille
Verwante begrippen
- [2] voorkomen
Vertalingen
Uitdrukkingen en gezegden
- [1]: Schoenmaker blijf bij je leest!
Bemoei je niet met zaken waar je geen verstand van hebt!
- [1]: Op dezelfde leest geschoeid
Op dezelfde wijze gemaakt, identiek
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.