lachen

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
  • IPA: 'lɑxə(n)

Lettergrepen
  • la·chen

Woordherkomst en -opbouw
  • Voorheen behoorde het werkwoord tot klasse 6: lachen - loech -gelachen
(~1616)
Hy maeckt’ een aerdigh dier/ hy ded’ een dier voortcommen/
Een dier een lieflijck dier/ dat wij een Meijsken nommen.
Maer als hijt hadt volmackt: hij sach zijn maecksel aen/
Hy sach het loech hem toe/ hy sach het voor hem staen/[1]

Vaste voorzetsels
  • lachen met
  • lachen om

Werkwoord

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
lachen
lachte
gelachen
gemengd volledig

lachen

  1. zichtbaar en/of hoorbaar blij zijn met iets of iets grappig vinden.
    Hij lachte hartelijk om de kostelijke grap.

Vertalingen
  1. Theocritus à Ganda 1616. Aen de Joncvrouwen van Hollandt

Duits

Werkwoord

lachen

  1. lachen; zichtbaar en/of hoorbaar blij zijn met iets of iets grappig vinden.
Aspecten/acties
Persoonlijke instellingen