lach
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: lach (hulp, bestand)
- IPA:
- (Noord-Nederland): /lɑχ/
- (Vlaanderen, Brabant, Limburg): /lɑx/
Woordafbreking
- lach
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | lach | lachen |
| verkleinwoord | lachje | lachjes |
Zelfstandig naamwoord
lach m
- een vrolijkheidsuiting door middel van het optrekken van de mondhoeken en vaak het voortbrengen van een geluid
- Na een paar lachen ging hij weer verder met zijn werk.
Gelijkklinkende woorden
Vertalingen
1. een vrolijkheidsuiting door middel van het optrekken van de mondhoeken en vaak het voortbrengen van een geluid
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| lachen |
lach
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lachen
- Ik lach.
- gebiedende wijs van lachen
- Lach!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lachen
- Lach je?
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Occitaans
| enkelvoud | meervoud |
|---|---|
| lach | laches |
Zelfstandig naamwoord
lach m