kwijtscholden
Uit WikiWoordenboek
Nederlands
Woordafbreking
- kwijt·schol·den
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| kwijtschelden |
kwijtscholden
- (in een bijzin) meervoud verleden tijd van kwijtschelden
- ...dat wij kwijtscholden.
- ...dat jullie kwijtscholden.
- ...dat zij kwijtscholden.
- ...dat wij kwijtscholden.