kuch

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
  • [zelfstandig naamwoord: munitiebrood]: wellicht van "keg" in de betekenis van "homp brood".[1]
Woordafbreking
  • kuch

Werkwoord

vervoeging van
kuchen

kuch

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kuchen
    Ik kuch.
  2. gebiedende wijs van kuchen
    Kuch!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kuchen
    Kuch je?

Niet in de woordenlijst van de Taalunie (als zelfstandig naamwoord)

enkelvoud meervoud
naamwoord kuch kuchen
verkleinwoord kuchje kuchjes

Zelfstandig naamwoord

kuch v / m

  1. hoestje
    Mevrouw Van Raat bleef haar steeds bezorgd aanzien, want met Eline's grotere opgewektheid was tevens haar kuch terug gekomen, een dof krijsende kuch, die zich uit haar keel scheen op te wringen.[2]

Zelfstandig naamwoord

kuch o

  1. munitiebrood, oud brood, soldatenkost[3]
    Een bekend soldatenlied uit de 20ste eeuw is ‘Rats, kuch en bonen; dat is het soldatendiner’.[4]

Tussenwerpsel

kuch

  1. (informeel) (gebruikt om ironie te markeren; de spreker wil eigenlijk het tegendeel beweren van wat hij zegt)
    Na haar indrukwekkende zangprestatie *kuch*, bleef het stil achter de jurytafel.


Meer informatie

Verwijzingen
  1. Kuch op website "Etymologiebank"; geraadpleegd 2014-11-20
  2. Couperus, L. Eline Vere 2e druk (1890) P.N. van Kampen & Zoon, Amsterdam; p. 164; geraadpleegd 2014-11-20
  3. kuch op website "Woordenboek der Nederlandse Taal"; geraadpleegd 2014-11-20
  4. Bork, G.J. van e.a. "soldatenlied" in: Algemeen letterkundig lexicon; geraadpleegd 2014-11-20