krik

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • krik
enkelvoud meervoud
naamwoord krik krikken
verkleinwoord krikje krikjes

Zelfstandig naamwoord

krik v/m

  1. een voorwerp om zware dingen, zoals een auto, mee op te tillen
    Ik had een lekke band met de auto, maar kon de krik niet vinden.
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen