krik
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- krik
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | krik | krikken |
| verkleinwoord | krikje | krikjes |
Zelfstandig naamwoord
- een voorwerp om zware dingen, zoals een auto, mee op te tillen
- Ik had een lekke band met de auto, maar kon de krik niet vinden.