kras
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- kras
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | kras | krassen |
| verkleinwoord | krasje | krasjes |
Zelfstandig naamwoord
- langgerekte oppervlaktebeschadiging veroorzaakt door het bewegen van een scherpe punt over een voorwerp
- Leg iets onder je schrijfwerk, anders krijg je krassen op tafel!
Vertalingen
1. langrekte oppervlaktebeschadiging voorwerp veroorzaakt door het bewegen van een scherpe punt over een voorwerp
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| krassen |
kras
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van krassen
- Ik kras.
- gebiedende wijs van krassen
- Kras!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van krassen
- Kras je?
Woordherkomst en -opbouw
- > Indonesisch: keras - «sterk»
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | kras | krasser | krast |
| verbogen | krasse | krassere | kraste |
Bijvoeglijk naamwoord
kras
- nog sterk voor zijn jaren
- Hij is een krasse ouwe baas.
- opzienbarend, meest in een onaangename zin van dat woord
- Dit is een krasse tegenstelling.