kraag
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- kraag
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | kraag | kragen |
| verkleinwoord | (kraagje) | (kraagjes) |
Zelfstandig naamwoord
kraag m
- (kleding) een kledingstuk rond de hals
- Iedereen kent het schilderij van Spinoza, met zwarte mantel en witte kraag, donkere ogen en afgeronde wenkbrauwen.
- (kleding) een omgeslagen rand van een kledingstuk bij de halsopening
- De kraag van dit overhemd is versleten.
- de naam van voorwerpen die op een kraag lijken, zoals een opstaande rand
- een witte rand schuim op een glas bier
- Vlak na het inschenken bestaat de kraag voor 70% uit gas en 30% uit bier.
Synoniemen
- [1] lubbenkraag, molenkraag, molensteenkraag, Spaanse kraag
- [4] manchet
Uitdrukkingen en gezegden
- In de kraag vatten.
- Zorgen dat iemand niet kan ontsnappen.
- De bewoners hebben de inbreker in de kraag gevat en wachten nu op de politie.
- Iemand arresteren.
- De politie heeft donderdag een notoire benzinedief in de kraag gevat.
- Zorgen dat iemand niet kan ontsnappen.
- Een stuk in de kraag hebben.
- Dronken zijn.
Vertalingen
1. een kledingstuk rond de hals
3. de naam van voorwerpen die op een kraag lijken, zoals een opstaande rand
Afrikaans
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | kraag | krae |
Zelfstandig naamwoord
kraag