korten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kor·ten
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
korten
kortte
gekort
zwak -t volledig

Werkwoord

korten

  1. (overgankelijk) in geldbedrag verlagen
    De uitkering werd flink gekort toen duidelijk werd dat de man wel voor een deel kon werken.
Vertalingen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen