korten
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- kor·ten
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| korten |
kortte |
gekort |
| zwak -t | volledig | |
Werkwoord
korten
- (overgankelijk) in geldbedrag verlagen
- De uitkering werd flink gekort toen duidelijk werd dat de man wel voor een deel kon werken.