kolom

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ko·lom
enkelvoud meervoud
naamwoord kolom kolommen
verkleinwoord kolommetje kolommetjes

Zelfstandig naamwoord

kolom m/v

  1. (bouwkunde) een vrijstaand steunpunt van hout, steen, beton of metaal, vergelijk zuil
    De kolommen stonden vlak voor de gevel van het gebouw.
  2. elk van de naast elkaar staande vakken van een in de lengte verdeelde bladzijde
    De bladzijde was in twee kolommen verdeeld.
  3. een reeks van verticaal onder elkaar geplaatste getallen
    In een spreadsheet is het gemakkelijk de getallen in een kolom op te tellen.