kolom
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ko·lom
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | kolom | kolommen |
| verkleinwoord | kolommetje | kolommetjes |
Zelfstandig naamwoord
- (bouwkunde) een vrijstaand steunpunt van hout, steen, beton of metaal, vergelijk zuil
- De kolommen stonden vlak voor de gevel van het gebouw.
- elk van de naast elkaar staande vakken van een in de lengte verdeelde bladzijde
- De bladzijde was in twee kolommen verdeeld.
- een reeks van verticaal onder elkaar geplaatste getallen
- In een spreadsheet is het gemakkelijk de getallen in een kolom op te tellen.