knutselen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- knut·se·len
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| knutselen |
knutselde |
geknutseld |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
knutselen
- (inergatief) zelf voorwerpen uit liefhebberij vervaardigen met gebruik van gereedschap als hamer, zaag en schaaf
- Hij knutselde graag in zijn vrije tijd.
- (inergatief) met weinig hulpmiddelen construeren
- Zij moest erg knutselen om dat kleine stukje hout op de goede plaats te krijgen.
Vertalingen
1. zelf voorwerpen uit liefhebberij vervaardigen met gebruik van gereedschap als hamer, zaag en schaaf
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.