knutselen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • knut·se·len
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
knutselen
knutselde
geknutseld
zwak -d volledig

Werkwoord

knutselen

  1. (inergatief) zelf voorwerpen uit liefhebberij vervaardigen met gebruik van gereedschap als hamer, zaag en schaaf
    Hij knutselde graag in zijn vrije tijd.
  2. (inergatief) met weinig hulpmiddelen construeren
    Zij moest erg knutselen om dat kleine stukje hout op de goede plaats te krijgen.
Vertalingen

Meer informatie