knip

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • knip
enkelvoud meervoud
naamwoord knip knippen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

knip v/m

  1. portemonnee
    Joviaal trok hij de knip en betaalde de rekening.
  2. schuifsluiting op een deur
    De dieven kwamen binnen door via de brievenbus de knip van de deur te halen.
Uitdrukkingen en gezegden
  • iets in de knip hebben
    iets behaald hebben
  • de hand op de knip houden
    niets uitgeven, zuinig zijn
  • geen knip voor de neus waard zijn
    niets waard zijn

Werkwoord

vervoeging van
knippen

knip

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van knippen
    Ik knip.
  2. gebiedende wijs van knippen
    Knip!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van knippen
    Knip je?
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen