knevel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kne·vel
enkelvoud meervoud
naamwoord knevel knevels
verkleinwoord kneveltje kneveltjes

Zelfstandig naamwoord

knevel m

  1. een prop, doek of stuk plakband waarmee iemand het spreken belet wordt
    Ze deden ruw een stuk plakband als knevel over zijn mond.
  2. een grote brede snor waarvan het lijkt dat deze het spreken zou bemoeilijken
    De mannen hadden indrukwekkende knevels.
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
knevelen

knevel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van knevelen
    Ik knevel.
  2. gebiedende wijs van knevelen
    Knevel!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van knevelen
    Knevel je?
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen