knarsen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • knar·sen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
knarsen
knarste
geknarst
zwak -t volledig

Werkwoord

knarsen

  1. (inergatief) geluid voortbrengen door twee hard oneffen voorwerpen met kracht over elkaar heen te bewegen
    Het roestige scharnier knarste en Jan haalde de oliespuit voor de dag.
Vertalingen