knap

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • knap
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen knap knapper knapst
verbogen knappe knappere knapste

Bijvoeglijk naamwoord

knap

  1. verstandig
  2. mooi, aantrekkelijk
Vertalingen

Bijwoord

knap

  1. tamelijk, behoorlijk
    Dat vraagstuk is knap lastig.
enkelvoud meervoud
naamwoord knap knappen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

knap m

  1. een geluid alsof iets breekt
    Toen ik viel hoorde ik een knap omdat ik op een tak viel die in tweeën brak.

Werkwoord

vervoeging van
knappen

knap

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van knappen
    Ik knap.
  2. gebiedende wijs van knappen
    Knap!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van knappen
    Knap je?


Engels

Uitspraak
vervoeging
onbepaalde wijs to knap
he/she/it knaps
verleden tijd knapped
voltooid
deelwoord
knapped
onvoltooid
deelwoord
knapping
gebiedende wijs knap

Werkwoord

knap

  1. knappen