knap
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- knap
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | knap | knapper | knapst |
| verbogen | knappe | knappere | knapste |
Bijvoeglijk naamwoord
knap
- verstandig
- mooi, aantrekkelijk
Vertalingen
2. aantrekkelijk
Bijwoord
knap
- tamelijk, behoorlijk
- Dat vraagstuk is knap lastig.
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | knap | knappen |
| verkleinwoord |
Zelfstandig naamwoord
knap m
- een geluid alsof iets breekt
- Toen ik viel hoorde ik een knap omdat ik op een tak viel die in tweeën brak.
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| knappen |
knap
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van knappen
- Ik knap.
- gebiedende wijs van knappen
- Knap!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van knappen
- Knap je?
Engels
Uitspraak
| vervoeging | |
|---|---|
| onbepaalde wijs | to knap |
| he/she/it | knaps |
| verleden tijd | knapped |
| voltooid deelwoord |
knapped |
| onvoltooid deelwoord |
knapping |
| gebiedende wijs | knap |
Werkwoord
knap