knap

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak

Lettergrepen
  • knap

Bijvoeglijk naamwoord

stellend vergrotend overtreffend
onverbogen knap knapper knapst
verbogen knappe knappere knapste

knap ; verstandig knap ; mooi, aantrekkelijk

Vertalingen

Bijwoord

knap

  1. tamelijk, behoorlijk
    Dat vraagstuk is knap lastig.

Zelfstandig naamwoord

enkelvoud meervoud
naamwoord knap knappen
verkleinwoord

knap m

  1. een geluid alsof iets breekt
    Toen ik viel hoorde ik een knap omdat ik op een tak viel die in tweeën brak.

Werkwoord

knap

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd en gebiedende wijs van knappen


Engels

Uitspraak
vervoeging
onbepaalde wijs to knap
he/she/it knaps
verleden tijd knapped
voltooid
deelwoord
knapped
onvoltooid
deelwoord
knapping

Werkwoord

knap

  1. knappen; een brekend geluid maken.
Aspecten/acties
Persoonlijke instellingen